Tegenhetlicht

Terug naar de Oude paden


Een reactie plaatsen

Heidelbergse Cathechismus en Talmoed

Bijzonder waren een paar gesprekken toen we de Familiedagen in Hardenberg bezochten. Zaait aan alle wateren, het zijn woorden, die ons helpen ,wanneer ze tot ons komen, grenzen mogen slechten en onze comfortzone mogen laten om naar plaatsen te gaan waar misschien ook herkenning is of honger naar méér. Zaaien mogen met een gedrag van dankbaarheid en bewogenheid of lessen ontvangen van hen. Verfrissing, inspiratie om verder te gaan, want de vier hoeken der aarde zijn niet beperkt tot onze eigen vijver.

Mat 28:19  Gaat dan henen, onderwijst al de volken, dezelve dopende in den Naam des Vaders, en des Zoons, en des Heiligen Geestes; lerende hen onderhouden alles, wat Ik u geboden heb. 

Gaat dan henen…

Als leraar die het beter weet?

Neen, als iemand die weet het te hebben ontvangen om niet, met een bewogenheid van Hem ontvangen om als mens mens te zijn onder de mensen.

Gaat dan henen, onderwijst… onderwijst is getuigen van Zijn openbaring in ons aan hen met wie wij ogenschijnlijk spontaan in gesprek komen en waar we een interesse bespeuren. Het vraagt een afgestemd zijn op Zijn Geest in ons om de ander te bereiken en dáár in ondervinding aan vooraf gegaan. Bedenk dat de dicipelen een paar jaar dagelijkse omgang nodig hadden om daarna pas uit te gaan. In die paar jaar zijn ze zichzelf regelmatig tegengekomen en de levenslessen die ze leerden, waren van grote waarde in de volkeren.

Al de volken…ons achterland en verder..

Op de beurs sprongen woorden als Israel en de Bijbel eruit. Het verstaan, dat geschriften als H. Cathechismus net zoals de Talmoed een hogere plaats hadden verkregen dan het geschreven Woord, gaf direct aan dat de verblindheid aan beide zijden in stand houdt, totdat honger naar het echte originele Brood zoeken gaat veroorzaken. Het geschreven Woord (1) heeft aan sterkte, kracht en Leven nooit afgedaan.

Het Geschreven Woord IS en heeft eeuwigheidswaarde.

Wat Ephraim Frank citeerde over de arme leek die denkt dat moeilijke Hebreeuws niet te kunnen verstaan en zich wendt tot de rabbijn of de theoloog om diens raad en kennis, schetst precies het pijnpunt én verleiding. De aloude zonde om de Geest van YHVH te onderschatten, Die ons in alle waarheid leiden zal..met als gevolg afgoderij en tevens verblinding.

Bijzonder dat de kernwoorden daar op die plaats gesproken werden, vonden wij.

We kregen een boekje met de titel “ben ik uitverkoren” aangereikt bij een andere stand. Mijn vraag waar ik eventueel een vraag kon stellen, was de aanleiding tot een bijzonder gesprek in goede verstandhouding en zeker door de Ruach haKodesh geleid, gezien de onderwerpen. We gingen het geschreven Woord door ondersteund met persoonlijke ervaringen betreffende het openbaren van het geschreven Woord. De bewogenheid voor specifiek de gereformeerde gezindte stemde ons warm en hoopvol.

We konden samen spreken over dat vreemde volk wat optrok met de kinderen Israels, de voedingsvoorschriften van de Vader, het volkomen herstel van het gehele huis Israels, de plaats van dat geen-volk in de Romeinenbrief, de shabbat…

Zulke ontmoetingen zijn eenvoudige bewijzen dat het goed was om er heen te gaan en open te staan voor wat de Vader voorzien heeft.

Maar ook zeer bewust te zijn, dat Zijn Geest ons leiden zal in alle waarheid, met de nadruk op alle. Hij heeft ons niet voor niets ondertrouwd en Hij geeft Zijn plaats aan geen ander. Daarom zullen wij alle geschriften, die de schijn hebben van kennis om ons te kunnen uitleggen hoe de Vader dat bedoelt en wij dat met velen hoger willen gaan stellen door ons daarop te focussen, praktisch terzijde moeten leggen, omdat we anders het dagelijkse nieuwe en verse manna vervangen door interpretaties van geleerde mensen.

En wat ik nu schrijf is niet van morgen, maar vanaf Gan Eden tot op de huidige dag. Kiest dan heden!

Overeenkomstig onze keuze zal ons gedrag, onze oogst zijn!

Alle eer aan Hem!

 

(1) YHVH had vanaf het begin rechtstreeks tot mensen willen spreken, maar de mensen kozen voor een tussenpersoon. En wij?  Exo 20:18  En al het volk zag de donderen, en de bliksemen, en het geluid der bazuin, en den rokenden berg; toen het volk zulks zag, weken zij af, en stonden van verre; 
Exo 20:19  En zij zeiden tot Mozes: Spreek gij met ons, en wij zullen horen; en dat God met ons niet spreke, opdat wij niet sterven! 
Exo 20:20  En Mozes zeide tot het volk: Vreest niet, want God is gekomen, opdat Hij u verzocht, en opdat Zijn vreze voor uw aangezicht zou zijn, dat gij niet zondigdet. 
Exo 20:21  En het volk stond van verre; maar Mozes naderde tot de donkerheid, alwaar God was. 

 

 

 


Een reactie plaatsen

Impasse

Tussen delen van het goede nieuws en aansporen om er iets mee te gaan doen of wellicht wachten voor de juiste woorden voordat er een werkelijk zwijgen komt, is er  weleens een onderbreking met een ongemakkelijke impasse.

Niet voor of achteruit kunnen en ook niet weten welke richting de juiste is…..

Pi haChiroth..

Ik herinnerde me dat ik er al eens eerder een keer bij stilgezet was. Tussen de impasse en het teken om verder te gaan, lagen twee telefoongesprekken. Een van iemand die serieus bepaald wordt dat het menens is met de eenwording betreffende Juda en Efraim, zo letterlijk verwoord in hoofdstuk 37 van het boek Ezechiël. En het andere gesprek was er een van bemoediging omdat de Vader “overal” Zijn mensen gezet heeft, alhoewel de persoon zelf, naar mijn beleving, een vrij moeilijke pionierstaak heeft. en toch ook de toepassende toerusting krijgt.

Ik vond de notitie over Pi haChiroth vandaag in mn bestand. Het was geschreven in het jaar 2013,

Pi hachiroth (4)

Exodus 14:2 Spreek tot de kinderen Israels, dat zij wederkeren, en zich legeren voor Pi-hachiroth, tussen Migdol en tussen de zee, voor Baal-zefon; daar tegenover zult gij u legeren aan de zee. 

Pi Hachiroth Impasse

 


2 reacties

Ogendienst..Oog versus hart

Mij kwam onlangs het woord “ogendienst” in gedachten en het bleef te gast, dus ik begreep dat ik er iets mee moest gaan doen. Ik verbind er de uiterlijke vorm mee, welke er op uit is om mensen te behagen in plaats van Hem Die ons gemaakt heeft, maar is dat wel de juiste gedachte?

We vinden het in Efeze 6:5 Gij diensknechten, zijt gehoorzaam uw heren naar het vlees, met vreze en beven, in eenvoudigheid uws harten, gelijk als aan Christus; 
Eph 6:6  Niet naar ogendienst, als mensenbehagers, maar als dienstknechten van Christus, doende den wil van God van harte; 
Eph 6:7  Dienende met goedwilligheid den Heere, en niet de mensen; 

Eph 6:6  Not with eyeservice, as menpleasers; but as the servants of Christ, doing the will of God from the heart; 

Wat mij opvalt is dat er direct aan  het woord ogendienst mensenbehagen/ menpleasers wordt verbonden.

Dus ogendienst heeft te maken met een vorm die uit een bepaalde hartsgesteldheid komt en waarvan de schrijver weet, want zo legt hij het uit, dat het tegengesteld is aan “dienende met goedwilligheid de Meester”

Nog twee teksten die ook te maken hebben met zien alleen:

1Samuël 16:7 “Doch de HEERE/YHVH zeide tot Samuel: Zie zijn gestalte niet aan, noch de hoogte zijner statuur, want Ik heb hem verworpen; want het is niet gelijk de mens ziet; want de mens ziet aan, wat voor ogen is, maar de HEERE/YHVH ziet het hart aan.”

In bovenstaand vers wordt Samuël onderwezen door niet naar het uiterlijk te kijken, omdat YHVH dat niet doet. Die kijkt naar het hart en hartsgesteldheid “de mens ziet aan wat voor ogen is, maar YHVH ziet het hart aan”

Een vergelijk met verschillende vertalingen. Het is boeiend om begrippen te ontrafelen, zeker wanneer ze “zomaar” in de gedachten komen.

1 Samuel 16:7
(Dutch SV)  Doch de HEERE zeide tot Samuel: Zie zijn gestalte niet aan, noch de hoogte zijner statuur, want Ik heb hem verworpen; want het is niet gelijk de mens ziet; want de mens ziet aan, wat voor ogen is, maar de HEERE ziet het hart aan.

(Hebrew OT+)  ויאמרH559 יהוהH3068 אלH413 שׁמואלH8050 אלH408 תבטH5027 אלH413 מראהוH4758 ואלH413 גבהH1364 קומתוH6967 כיH3588 מאסתיהוH3988 כיH3588 לאH3808 אשׁרH834 יראהH7200 האדםH120 כיH3588 האדםH120 יראהH7200 לעיניםH5869 ויהוהH3068 יראהH7200 ללבב׃H3824

(KJV)  But the LORD said unto Samuel, Look not on his countenance, or on the height of his stature; because I have refused him: for the LORD seeth not as man seeth; for man looketh on the outward appearance, but the LORD looketh on the heart.

(KJV+)  But the LORDH3068 saidH559 untoH413 Samuel,H8050 LookH5027 notH408 onH413 his countenance,H4758 or onH413 the heightH1364 of his stature;H6967 becauseH3588 I have refusedH3988 him: forH3588 the LORD seeth notH3808 asH834 manH120 seeth;H7200 forH3588 manH120 lookethH7200 on the outward appearance,H5869 but the LORDH3068 lookethH7200 on the heart.H3824

Andere verzen komt in mijn gedachten:

Jes 55:8  Want Mijn gedachten zijn niet ulieder gedachten, en uw wegen zijn niet Mijn wegen, spreekt de HEERE/YHVH. 
Isa 55:9  Want gelijk de hemelen hoger zijn dan de aarde, alzo zijn Mijn wegen hoger dan uw wegen, en Mijn gedachten dan ulieder gedachten. 
Isa 55:10  Want gelijk de regen en de sneeuw van den hemel nederdaalt, en derwaarts niet wederkeert; maar doorvochtigt de aarde, en maakt, dat zij voortbrenge en uitspruite, en zaad geve den zaaier, en brood den eter; 
Isa 55:11  Alzo zal Mijn woord, dat uit Mijn mond uitgaat, ook zijn, het zal niet ledig tot Mij wederkeren; maar het zal doen, hetgeen Mij behaagt, en het zal voorspoedig zijn in hetgeen, waartoe Ik het zende. 

Dat brengt mij bij de gedachte dat wat YHVH met kijken naar het hart bedoelt, zoveel dieper is, dan wat wij op t eerste gezicht menen te zien. En dat betekent voor mij, juist omdat de Vader ons meeneemt naar Zijn manier van kijken, dat we iets anders nodig hebben om te beproeven of iets ogendienst is of eenvoudig gezegd “hartendienst”.

Dan komen we bij geestelijk onderscheid, een eigenschap/ gave waarmee een mensenkind kan verstaan wat uit YHVH is en wat niet.

1Co 2:9  Maar gelijk geschreven is: Hetgeen het oog niet heeft gezien, en het oor niet heeft gehoord, en in het hart des mensen niet is opgeklommen, hetgeen God bereid heeft dien, die Hem liefhebben. 
1Co 2:10  Doch God heeft het ons geopenbaard door Zijn Geest; want de Geest onderzoekt alle dingen, ook de diepten Gods. 
1Co 2:11  Want wie van de mensen weet, hetgeen des mensen is, dan de geest des mensen, die in hem is? Alzo weet ook niemand, hetgeen Gods is, dan de Geest Gods. 
1Co 2:12  Doch wij hebben niet ontvangen den geest der wereld, maar den Geest, Die uit God is, opdat wij zouden weten de dingen, die ons van God geschonken zijn; 
1Co 2:13  Dewelke wij ook spreken, niet met woorden, die de menselijke wijsheid leert, maar met woorden, die de Heilige Geest leert, geestelijke dingen met geestelijke samenvoegende. 
1Co 2:14  Maar de natuurlijke mens begrijpt niet de dingen, die des Geestes Gods zijn; want zij zijn hem dwaasheid, en hij kan ze niet verstaan, omdat zij geestelijk onderscheiden worden. 
1Co 2:15  Doch de geestelijke mens onderscheidt wel alle dingen, maar hij zelf wordt van niemand onderscheiden. 

Nu hebben wij in het leven te maken met ons verstand, wil en emoties naast die van onze geest. Wanneer wij weten Hem toe te behoren, ontmoeten wij strijd in onszelf. Die strijd vindt hoofdzakelijk plaats tussen onze ziel, waar het verstand, wil en emoties huizen én onze geest, waar Zijn Geest in woont.

Shaul/Paulus beschrijft dat in Romeinen 7:15  Want hetgeen ik doe, dat ken ik niet; want hetgeen ik wil, dat doe ik niet, maar hetgeen ik haat, dat doe ik. 
Rom 7:16  En indien ik hetgene doe, dat ik niet wil, zo stem ik de wet toe, dat zij goed is. 
Rom 7:17  Ik dan doe datzelve nu niet meer, maar de zonde, die in mij woont. 
Rom 7:18  Want ik weet, dat in mij, dat is, in mijn vlees, geen goed woont; want het willen is wel bij mij, maar het goede te doen, dat vind ik niet. 
Rom 7:19  Want het goede dat ik wil, doe ik niet, maar het kwade, dat ik niet wil, dat doe ik. 
Rom 7:20  Indien ik hetgene doe, dat ik niet wil, zo doe ik nu hetzelve niet meer, maar de zonde, die in mij woont. 
Rom 7:21  Zo vind ik dan deze wet in mij; als ik het goede wil doen, dat het kwade mij bijligt. 
Rom 7:22  Want ik heb een vermaak in de wet Gods, naar den inwendigen mens; 
Rom 7:23  Maar ik zie een andere wet in mijn leden, welke strijdt tegen de wet mijns gemoeds, en mij gevangen neemt onder de wet der zonde, die in mijn leden is. 
Rom 7:24  Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods? 
Rom 7:25  Ik dank God, door Jezus Christus, onzen Heere. 
Rom 7:26  Zo dan, ik zelf dien wel met het gemoed de wet Gods, maar met het vlees de wet der zonde. 

En Mattheüs zegt het zó:

Mat_26:41  Waakt en bidt, opdat gij niet in verzoeking komt; de geest is wel gewillig, maar het vlees is zwak.

En ook David weet ervan wanneer hij in de psalmen zijn ziel het zwijgen oplegt met zijn geest:

Psa_42:6  Wat buigt gij u neder, o mijn ziel! en zijt onrustig in mij? Hoop op God, want ik zal Hem nog loven voor de verlossingen Zijns aangezichts.
Psa_42:12  Wat buigt gij u neder, o mijn ziel! en wat zijt gij onrustig in mij? Hoop op God, want ik zal Hem nog loven; Hij is de menigvuldige Verlossing mijns aangezichts, en mijn God.
Psa_43:5  Wat buigt gij u neder, o mijn ziel! en wat zijt gij onrustig in mij? Hoop op God, want ik zal Hem nog loven; Hij is de menigvuldige Verlossing mijns aangezichts, en mijn God.
Psa_62:6  Doch gij, o mijn ziel! zwijg Gode; want van Hem is mijn verwachting.

Dús…aan de hand van deze versaanhalingen begrijpen wij dat wij een menselijke natuur hebben die via onze ogen,oren, emotie en verstand gevoed wordt en een geest, waarin Zijn Geest woont wanneer wij Hem toebehoren en dat ons leven de tijd geeft om ons te vormen. Beproevingen zijn een onderdeel om ons te helpen om te zien in hoeverre wij zien met onze ogen of met ons hart.

Van Hem krijgen wij instructies, die geschreven staan in Zijn Woord, omdat Hij ons aanmoedigt overwinnen te behalen.

Ogendienst – we weten nu dat het te maken heeft met anderen te behagen in plaats van YHVH

Ogendienst kan onbewust, bewust gedaan worden. Onderzoek geeft stof tot nadenken, maar ook ontdekking, omdat geestelijke onderscheiding aanreikt dat wat verborgen is.

Ogendienst is er in alle gelederen….Het is van alle tijden en het floreert welig., maar het einde geeft geen vrucht dat YHVH welbehagelijk is. Zie bij voorbeeld de verleiding in de hof van Eden.

We zien aan de volgende teksten dat er in alle eeuwen goede raadgeving en advies geweest is, maar dat het aan onszelf ligt welke keuze wij maken en de bijbehorende conditie blijft niet uit:

Jer 6:16  Zo zegt de HEERE: Staat op de wegen, en ziet toe, en vraagt naar de oude paden, waar toch de goede weg zij, en wandelt daarin; zo zult gij rust vinden voor uw ziel; maar zij zeggen: Wij zullen daarin niet wandelen. 
Jer 6:17  Ik heb ook wachters over ulieden gesteld, zeggende: Luistert naar het geluid der bazuin; maar zij zeggen: Wij zullen niet luisteren. 
Jer 6:18  Daarom hoort, gij heidenen! en verneem, o gij vergadering! wat onder hen is. 
Jer 6:19  Hoor toe, gij aarde! Zie, Ik zal een kwaad brengen over dit volk, de vrucht hunner gedachten; want zij merken niet op Mijn woorden, en Mijn wet verwerpen zij. 

Ook Yeshua legt het verschil aan de hand van de volgende woorden nauwkeurig uit:

Luk 18:9  En Hij zeide ook tot sommigen, die bij zichzelven vertrouwden, dat zij rechtvaardig waren, en de anderen niets achtten, deze gelijkenis: 
Luk 18:10  Twee mensen gingen op in den tempel om te bidden, de een was een Farizeer, en de ander een tollenaar. 
Luk 18:11  De Farizeer, staande, bad dit bij zichzelven: O God! ik dank U, dat ik niet ben gelijk de andere mensen, rovers, onrechtvaardigen, overspelers; of ook gelijk deze tollenaar. 
Luk 18:12  Ik vast tweemaal per week; ik geef tienden van alles, wat ik bezit. 
Luk 18:13  En de tollenaar, van verre staande, wilde ook zelfs de ogen niet opheffen naar den hemel, maar sloeg op zijn borst, zeggende: O God! wees mij zondaar genadig! 
Luk 18:14  Ik zeg ulieden: Deze ging af gerechtvaardigd in zijn huis, meer dan die; want een ieder, die zichzelven verhoogt, zal vernederd worden, en die zichzelven vernedert, zal verhoogd worden. 
Luk 18:15  En zij brachten ook de kinderkens tot Hem, opdat Hij die zou aanraken; en de discipelen, dat ziende, bestraften dezelve. 
Luk 18:16  Maar Jezus riep dezelve kinderkens tot Zich, en zeide: Laat de kinderkens tot Mij komen, en verhindert hen niet; want derzulken is het Koninkrijk Gods. 
Luk 18:17  Voorwaar, zeg Ik u: Zo wie het Koninkrijk Gods niet zal ontvangen als een kindeken, die zal geenszins in hetzelve komen. 
Luk 18:18  En een zeker overste vraagde Hem, zeggende: Goede Meester, wat doende zal ik het eeuwige leven beerven? 
Luk 18:19  En Jezus zeide tot hem: Wat noemt gij Mij goed? Niemand is goed, dan Een, namelijk God. 
Luk 18:20  Gij weet de geboden: Gij zult geen overspel doen; gij zult niet doden; gij zult niet stelen; gij zult geen valse getuigenis geven; eer uw vader en uw moeder. 
Luk 18:21  En hij zeide: Al deze dingen heb ik onderhouden van mijn jonkheid aan. 
Luk 18:22  Doch Jezus, dit horende, zeide tot hem: Nog een ding ontbreekt u; verkoop alles, wat gij hebt, en deel het onder de armen, en gij zult een schat hebben in den hemel; en kom herwaarts, volg Mij. 
Luk 18:23  Maar als hij dit hoorde, werd hij geheel droevig; want hij was zeer rijk. 
Luk 18:24  Jezus nu, ziende, dat hij geheel droevig geworden was, zeide: Hoe bezwaarlijk zullen degenen, die goed hebben, in het Koninkrijk Gods ingaan! 
Luk 18:25  Want het is lichter, dat een kemel ga door het oog van een naald, dan dat een rijke in het Koninkrijk Gods inga. 
(..)
Luk 18:27  En Hij zeide: De dingen, die onmogelijk zijn bij de mensen, zijn mogelijk bij God. 
Luk 18:28  En Petrus zeide: Zie, wij hebben alles verlaten, en zijn U gevolgd. 
Luk 18:29  En Hij zeide tot hen: Voorwaar, Ik zeg ulieden, dat er niemand is, die verlaten heeft huis, of ouders, of broeders, of vrouw, of kinderen, om het Koninkrijk Gods; 
Luk 18:30  Die niet zal veelvoudig weder ontvangen in dezen tijd, en in de toekomende eeuw het eeuwige leven. 

De kinderen Israels zijn ons tot voorbeeld gesteld, omdat het onze vaders waren, wat beslist niet figuurlijk bedoeld is.

1Co 10:1  En ik wil niet, broeders, dat gij onwetende zijt, dat onze vaders allen onder de wolk waren, en allen door de zee doorgegaan zijn; 
1Co 10:2  En allen in Mozes gedoopt zijn in de wolk en in de zee; 
1Co 10:3  En allen dezelfde geestelijke spijs gegeten hebben; 
1Co 10:4  En allen denzelfden geestelijken drank gedronken hebben; want zij dronken uit de geestelijke steenrots, die volgde; en de steenrots was Christus. 
1Co 10:5  Maar in het meerder deel van hen heeft God geen welgevallen gehad; want zij zijn in de woestijn ter nedergeslagen. 
1Co 10:6  En deze dingen zijn geschied ons tot voorbeelden, opdat wij geen lust tot het kwaad zouden hebben, gelijkerwijs als zij lust gehad hebben. 
1Co 10:7  En wordt geen afgodendienaars, gelijkerwijs als sommigen van hen, gelijk geschreven staat: Het volk zat neder om te eten, en om te drinken, en zij stonden op om te spelen. 
1Co 10:8  En laat ons niet hoereren, gelijk sommigen van hen gehoereerd hebben, en er vielen op een dag drie en twintig duizend. 
1Co 10:9  En laat ons Christus niet verzoeken, gelijk ook sommigen van hen verzocht hebben, en werden van de slagen vernield. 
1Co 10:10  En murmureert niet, gelijk ook sommigen van hen gemurmureerd hebben, en werden vernield van den verderver. 
1Co 10:11  En deze dingen alle zijn hunlieden overkomen tot voorbeelden; en zijn beschreven tot waarschuwing van ons, op dewelke de einden der eeuwen gekomen zijn. 
1Co 10:12  Zo dan, die meent te staan, zie toe, dat hij niet valle.

De keus is aan ons wat wij heden ten dage kiezen. Eenvoudig aan Hem vragen of Hij ons leiden wil en geven ons Zijn kennis, Zijn wijsheid en Zijn inzicht. Dan zullen wij gaan onderscheiden om de juiste weg te gaan,maar wij zullen ook niet schromen anderen te helpen de uitnemendste weg te kiezen. Maar vóór we dat laatste doen, vragen wij ook weer om Zijn leiding, omdat Zijn zaak ermee gediend wordt.

Hineni

Jozua 24:15  Doch zo het kwaad is in uw ogen den HEERE te dienen, kiest u heden, wien gij dienen zult; hetzij de goden, welke uw vaders, die aan de andere zijde der rivier waren, gediend hebben, of de goden der Amorieten, in welker land gij woont; maar aangaande mij, en mijn huis, wij zullen den HEERE dienen! 

 Beproef mijn woorden, shalom, Hadassah

NB Het woord HEERE etc is mijns inziens YHVH Yod Heh Vav Heh; Christus/ Masshiach Yeshua

 

 

 

 


Een reactie plaatsen

Egyptische afgoderij


“Over het algemeen denken we niet dat de arme tot slaaf gemaakte Israëlieten in Egypte schuldig zijn aan hun harde omstandigheden, en we schrijven hun spirituele toestand in de woestijn (anders dan het fiasco van het gouden kalf) niet toe aan een soort afgodenaanbidding en verbinding met de Egyptische goden. Maar Ezechiël hoofdstuk 20 maakt heel duidelijk dat onze voorouders zichzelf verontreinigden met de goden van Egypte. YHVH zegt in duidelijke bewoordingen: “… zij rebelleerden tegen Mij en wilden Mij niet gehoorzamen. Zij wierpen niet alle gruwelen weg die voor hun ogen stonden, noch verlieten zij de afgoden van Egypte” (vers 8). hetzelfde vers had dit allemaal “in het midden van het land Egypte” plaatsgevonden.

Afgezien van Ezechiël verifieert een andere schrijver van de Schrift dit. Iemand die een eerste oog was getuige van de toestand van zijn broeders. Het is niemand anders dan Joshua, die dit feit niet slechts één keer, maar twee keer vermeldt. (Dan is er ook Amos in 5: 25-26, waarvan de korte beschrijving wordt herhaald in Handelingen 7: 42-43.)

Toen Joshua op het punt stond te bestaan, het stadium van het leven, herinnerde hij zich de geschiedenis van het volk, herinnerde hen aan wie zij moesten dienen, terwijl ze tegelijkertijd hen aanspoorden en uitdagen: “Nu daarom, vrees YHVH, dien Hem in oprechtheid en in waarheid, en leg de goden weg die uw vaderen aan de andere kant van de rivier en in Egypte dienden. Dien YHVH! “(Jozua 24:14 nadruk toegevoegd). De ‘overkant van de rivier’ verwijst naar de pre-abraithische dagen, maar ‘in Egypte’ is een vrij sterke en duidelijke aanklacht, die minder verschoonbaar is.

De andere aflevering, waarin Joshua te maken kreeg met dit pijnlijke onderwerp, deed zich veel eerder voor. Het was bij de toegang van de Israëlieten tot het land. Daar, in Gilgal, werden zij die in de woestijn geboren waren, besneden, een actie die ook was bedoeld om: “de smaad van Egypte van u af te werpen. Daarom wordt de naam van de plaats Gilgal genoemd “(Jozua 4: 9). Het “rollen” van de “smaad van Egypte” is “galot” – letterlijk rollen of wegrollen, terwijl de gelijkenis met de naam “Gilgal” heel duidelijk is. Het werkwoord “galo” of “galot” deelt dezelfde stam als “gilool” of “giloolim” (meervoud). Dit is wat de “afgoden van Egypte” worden genoemd in de bovengenoemde Ezechiël 20 schrift. De “gooloeliem” zijn “ballen”. Wat voor soort “ballen”? Ze zijn wat de Tanach mestballen noemen, en gebruiken een ander woord met dezelfde wortel – glaliem.

Dus wat is de connectie van “mestballen” met de “afgoden van Egypte”? Een van Egypte’s vereerde en vergoddelijkte wezens was de mestkever. Scarab is een mestkever, die wanneer hij zwermt en provender verzamelt, dit doet door het in een bal te vormen en het naar zijn bestemming te rollen. Toen Joshua’s altaar werd ontdekt op de berg Eyval (de vloedberg) in de jaren 1980, werden verschillende van deze door de mens gemaakte scarabs opgegraven. Dit was een duidelijk bewijs dat onze voorouders dit item van de ‘smaad van Egypte’ vereerden en het rondvoeren en zelfs doorgeven aan hun kinderen die het land Israël binnengingen. Chuck Missler beweert zelfs dat deze scarabs of kevers de “zwermen” waren – arov in het Hebreeuws – die de vierde plaag vormden. https://www.khouse.org/articles/2000/263/

De tien plagen die YHVH Egypte oplegde waren niet alleen bedoeld tegen de soeverein van Egypte, de farao, maar ook tegen de ‘goden’ van dat land. In de tijd van de laatste plaag, maakte YHVH de verklaring dat de goden van Egypte het doelwit waren van Zijn aanval (evenals de levende wezens van dat land). Inderdaad, zoals je waarschijnlijk weet, was elk van de plagen gericht tegen een van de afgoden van Egypte (zie bovenstaande link).

In feite zien we dat zelfs voordat het seizoen van de tien plagen begon, YHVH al Zijn macht bewijst tegen een van de goden van Egypte. YHVH oefent zijn gezag uit en verklaart: “En de Egyptenaren zullen weten dat ik YHWH ben, wanneer ik Mijn hand uitstrek over Egypte …” (Exodus 7: 5). “Uitrekken” is in dit geval “ne’to’ti” (het werkwoord dat “nato” is – zijn wortel is middag, tet, hey, n.t.h). Dit werkwoord geeft de leidende of wijzende richting aan, en dus in vers 9, wanneer A’haron wordt verteld om zijn staf te werpen, wordt dit artikel aangeduid met “ma’teh”, afkomstig van dezelfde wortel. A’haron en Moshe moesten de autoriteit van YHVH vertegenwoordigen over de heersende machten van Egypte, zowel de natuurlijke als het bovennatuurlijke. Inderdaad, wanneer A’haron zijn staf voor Par’oh werpt verandert het in een slang, die in het Hebreeuws “tannin” is, letterlijk een alligator. Zo toonde YHVH Zijn macht over een van de krachtigste symbolen van Egypte. In feite, in Ezechiël 29: 3 wordt Par’oh zelf aangesproken als de “grote tannine” (vertaald “monster”), dat is de grote alligator (zie voor hetzelfde idee ook Ez 32: 3). De regel en autoriteit van Egypte wordt daarom gesymboliseerd door dit schepsel dat de Nijl bewoonde, en was de eerste die werd uitgedaagd door Elohim. (Voor meer informatie over de alligators en hun rol in het Egyptische Pantheon, zie https://en.wikipedia.org/wiki/Sobek)

Het is niet louter toeval dat de plagen die deze wereld en haar systemen moeten treffen, zoals beschreven in Openbaring beschreven lijken ze de plagen te weerspiegelen die de Egyptenaren overkwamen, voordat YHVH Israël uit hun midden wegvoerde. Het feit echter dat de Israëlieten zelf niet vrij waren van dezelfde soort afgoderij, moet niet over het hoofd worden gezien, vooral als we terugverwijzen naar de passage “overgangsperiode” van Ezechiël 20: 33-38. In de verzen 38 en 39 lezen we het volgende: “Wat u betreft, o huis van Israël,” aldus zegt de Heer YHVH: ‘Ga, dien een ieder van u zijn afgoden – en hierna – als u mij niet wilt gehoorzamen; maar profaan Mijn heilige naam niet meer met uw gaven en uw afgoden. “” Zou het u verbazen om te ontdekken dat het woord daar voor “afgoden” weer “giloeliem” is? Hoe onthullend! Dus als het verblijf van onze voorouders in Egypte en hun opkomst uit die plaats op de een of andere manier gelijkwaardig is aan onze tijd, moeten we de afgoderij in het kamp van Israël overwegen.

Het maakt niet uit hoe deze idolen eruit zien, of welke vorm ze aannemen, of hoe ze worden aanbeden, spirituele entiteiten verdwijnen niet of verdwijnen niet. Ze zijn nog steeds in oorlog met Elohim en Zijn volk, en ze kunnen ons nog steeds vasthouden. Hoewel ze niet de vorm aannemen die ze in het oude Egypte hebben gedaan, zijn ze niet gestopt ‘afschuwelijk mestkalmen’ te zijn die we met geweld van onszelf moeten verwijderen. De Gilgal-ervaring is nog niet voorbij.

Als een kanttekening kunnen we het feit in overweging nemen dat op de plaats van de grootste internationale intergeloof conventie – dat is waar de poging werd gedaan om een ​​toren naar de hemel op te heffen en “als de Allerhoogste” te zijn, in Bavel – Mitzrayim (de stamvader van de natie Egypte die ook de oom van Nimrod was) zou aanwezig zijn geweest. Zo werden de overtuigingen, met de entiteiten die hen vergezelden, getransporteerd van die wieg van de opstand van de mensheid naar de hele bekende wereld van de dag. Babylon heeft altijd haar rol gespeeld als de vertegenwoordiger van de vijand, en nog steeds, in elk tijdperk van de menselijke geschiedenis. Het is van haar, dat gedoemd is tot vernietiging, dat we moeten vluchten (terwijl we de ‘mestballen’ afblazen als we gaan zodat we sneller kunnen rennen zonder “onbelemmerd door de zonde”), opdat we niet met haar vallen. Dit wordt goed samengevat in Openbaring hoofdstuk 18.

Met dank aan Ephraim en Rimona Frank